Thuis pagina

contact met Salon Zonneveld

ARIE ZONNEVELD 1905 - 1941

Arie vermeldingen

Catalogus

Van Het Westelijk Front Geen Nieuws

Annie Simonis 1907

Piet Zonneveld 1908

Kees Zonneveld 1912

informatie bronnen :Ontstaan Copyright

Nieuwe pagina

the value of a Arie Zonneveld woodcut HISTOTY

-

Salon Zonneveld seizoen 8

-

-

-

-

Salon Zonneveld gaat verhuizen

.1.
DE REIS
 
In de trein die van Den Haag naar Utrecht rijd zaten mijn Pa, mijn Ma en mijn persoontje.
Ik zelf was een jongen van bijna zestien jaar. Het was dan ook niet als geleide dat mijn Pa en Ma mij gezelschap hielden.
Die zouden (dat was het plan) in pension gaan in Nijmegen.
Door nu over Arnhem te gaan, konden ze nog een poosje bij mij blijven zitten.
Ik zou te Loenen op de Veluwe gaan kamperen, midden op de hei en met het vooruitzicht tien volle dagen precies te kunnen doen wat ik wilde, zonder iemand die mij kon verbieden zo hard te galmen als ik wilde en zeggen dat ik mij niet aan moest stellen als een gek.
Toen mijn Pa mij dat een paar dagen geleden - zij het dan ook in bedekte termen - aan het verstand had gebracht was ik buiten mijzelf van vreugde en ik beweerde dat het dan wel wat beter weer zou mogen zijn en dat ik zeker veel bagage mee moest nemen.
Ik kon de tijd van mijn vertrek haast niet afwachten en dacht er niet aan dat ik afscheid zou moeten nemen van een vriendinnetje van me aan wie ik nog kort geleden had verteld dat ik onmogelijk langer dan twee dagen buiten haar zou kunnen.
Alles werd in gereedheid gebracht en met ongeduld zag ik iedere avond de krant tegemoet om het weerbericht te lezen en te zien of het weer nog steeds niet beter werd, maar aldoor luidde dat bericht even somber, zo erg zelfs, dat ik begon te vrezen dat op het laatste ogenblik de tocht nog afgelast zou worden.
Gelukkig echter gebeurde dat niet en zo zat ik dan nu in de trein.
Wel joegen dikke donkere waterwolken langs de hemel en miezerde het een fijn motregentje.
Maar nu had ik geen vrees meer.
We zaten nu in het schuitje en moesten dus meevaren.
Ik keek eens uit de raampjes naar buiten, eigenlijk meer uit verveling, dan uit belangstelling.
Ik zag de motregen, de polder met op de achtergrond de grauwgrijzige wazige vormen van molens, de sloten en de natte koeien.
Ik herinner me dat ik medelijden met hen had, omdat zij zo nat waren en ik vermoedde dat zij ook wel liever in een warme stal zouden staan. Voorbij Gouda zowat begon een oude dame die naast me zat wat spraakzamer te worden.
Dit was een statige dame van een jaar of vijftig.
Ze scheen ongetrouwd te zijn en anders was ze in iedere geval weduwe en leek nu een gemakkelijk leventje te lijden.
Verder scheen ze wel van chocolade te houden, ze had er tenminste bijna haar gehele tasje mee volgepropt en beweerde veel van kinderen te houden.
Ze vertelde ons dat zij zo eens in de maand eens een bezoek ging brengen aan haar familie waar zij dan enkele daagjes bleef.
Die familie woonde als ik mij net vergis in Lunteren of Barneveld.
Zij vroeg aan mij of ik chocolade lustte en stopte mij tegelijk n van haar vele reepjes in de mond.
Ik beaamde toen er genoeg ruimte in mijn mond was om te praten dat zij het bij het rechte eind had en dat het meer aan de prijs van de chocolade dan aan mijn lag dat ik het niet enkel at.
Hiermee hield de spraakzaamheid echter nog niet op integendeel.
Zij vertelde ons nog veel meer dat ik echt niet allemaal onthouden heb. Alles vroeg ze en overal wist ze van mee te praten.
Ze vertelde aan mijn ma dat ze veel van kinderen hield en dat ze mij een aardige jongen vond.
Ik vond dit nu juist geen complimentje en vertelde haar dat ik al bijna zestien jaar werd.
Toch was ze erg vriendelijk.
Ze vroeg ook waar ik naar toe ging, en ik vertelde dat ik ging kamperen, waarop zij beweerde een paar neefjes te hebben die daar ook veel aan deden.
Die neefjes hadden gekampeerd bij regen, bij storm, bij hagel en sneeuw en alle andere slechte weersgesteldheden, maar schijnbaar niet bij mooi weer en zonneschijn.
Tegenwoordig deden die neefjes daar echter niet meer aan omdat ze nu reumatiek hadden.
Ook vertelde ze ons dat aan dat gat waar die familie van haar woonde de trein niet stopte, zodat zij zich met een autobus naar de plaats harer bestemming moest laten rijden.
Toen wij in Utrecht over moesten stappen bleef zij bij ons zodat wij weer in dezelfde coup kwamen te zitten.
De regen had nu opgehouden en de hemel vertoonde hier en daar gehele blauwe stukken "soldatenbroeken" zoals mijn moeder ze noemde, waarom weet ik niet maar ik vermoedde omdat een soldatenbroek in haar tijd ook blauw was, maar dan is die naam nu niet juist meer omdat een soldatenbroek tegenwoordig meestal groen is.
De weg werd nu veel prettiger, zodat ik nu wel met belangstelling uit de raampjes keek.
Schitterende vergezichten en prachtige blauwgroene dennenbossen wisselden elkander hier af. De zon kwam ook zo nu en dan door en overgoot dat alles met haar heerlijk morgenlicht.
Ik ben namelijk vergeten te vertellen dat ik die morgen om half zeven zes uur op had moeten staan wat een heel ding is in de vacantie.
Die dame wist ook hier alles vanaf.
Dit was een schitterende laan om te bewandelen en gindse bossen zo heerlijk om met een hangmat naar toe te gaan.
Dit werd hoe langer hoe erger hoe meer wij het plaatsje naderden waar die veel besproken familie woonde.
Ik luisterde met open mond (Fig.01), niet alleen omdat ik zo een en al aandacht was maar ook omdat genoemd chocoladetasje nog steeds niet leeg was en ik er dus wel bij voer.
Maar tenslotte moest zij ons toch verlaten en van nu af reide ik alleen met mijn ouders verder.
Ik heb wel eens gehoord dat goede raad duur is, nu als ik daar naar reken had ik al gauw een aardig duitje aan goede raad te pakken.
Mijn Ma zei eerst, "Zeg man we zullen hem wat geld mee geven, dat kon hij wel eens nodig hebben".
Mijn pa stemde toe en toen kwam het los.
"Piet", zei Ma, "ik geef je nu vijf en twintig gulden mee maar doe ze nu niet gewoon in je broekzak want dan verlies je het.
Kijk, ik zal het in dit zakje doen en deze speld erop steken, dan kan het er niet uit vallen.
Zeg maar tegen Arie dat hij het hier maar mee moet doen tot Pa komt want je snapt wel dat die vijfentwintig gulden niet voor jou alleen zijn". En mijn Pa zei: "stel je nu niet aan als een gek en scheur je kleren nu niet.
Als je op het perron komt zal je Arie wel zien. En draag je bagage nu eerst naar de fietsenstalling dan zal Arie wel helpen opbinden.
Wees nu niet al te royaal met je geld, maak nu eens dat als ik kom er nog wat over is, dat is aardig.
Doe verder de groeten aan Arie en zeg hem dat ik volgende week woensdag hoop te komen (het was vandaag ook woensdag) als het tenminste mooi weer is" enz.
Ge ziet dat het mij aan goede raad niet ontbrak.
Toen mijn Ma aan het woord was, antwoordde ik na iedere zin, ja Ma en toen mijn Pa aan het woord was antwoordde ik na iedere zin: ja Pa. Toen was er een tijdje stilte, we dachten schijnbaar aan het aanstaande afscheid.
Mijn Ma had al een paar maal een blik geslagen op het reusachtige pak bagage.
Eindelijk stond mijn Pa op.
Een geweldig knarsen en piepen en de trein stond stil.
Ik omhelsde mijn Pa en Ma om beurt en stapte uit.
Mijn Pa reikte de bagage aan en daar stond ik op het perron.
Mijn ouders bleven zitten daar de trein doorreed tot Nijmegen waar zij moesten zijn.
Daar stond ik dus.
Nergens was echter een spoor van mijn broer te zien en dus pakte ik mijn boeltje op en wandelde naar de uitgang.
Ieder die al eens in de trein gereisd heeft zal dat gewone perronrumoer wel kennen.
Witkielen die rammelende wagentjes achter zich aantrekken en schreeuwende courantenventers, reizigers die naar de uitgang dringen en mensen die iemand af komen halen.
Een ieder weet dan ook hoe lastig het is om tussen al die drukte iemand te moeten zoeken.
Zo kom ik daar dan plotseling mijn broer tegen.
Die zegt dat ik maar door moet lopen tot fietsenstalling, hij loopt intussen door in de hoop Pa en Ma nog eens te zien.
Ge begrijpt echter dat Arie niet alleen was en na een poosje kwam ik ook spuit twee tegen.
Als ge in het vervolg de naam Jan van der Berkeboom tegen mocht komen zo weet dan dat hiermede deze spuit twee wordt bedoeld.
Het is wel een saaie naam, maar als je kampeert vind je overal wat op en zo hadden wij ook hiervoor iets gevonden wat genoemde naam wat op vrolijkte.
Ge moet de naam uitspreken met de klemtoon op Jan, dan klinkt hij werkelijk nog wel een beetje interessant.
Jan van der Berkeboom was een lange dunne jongeling die altijd netjes was.
Hij had zwart haar dat ongeveer 25 cm lang wat een geweldige indruk maakte.
Toch zat dat haar netjes. (fig.02) Wij (Arie en ik) liepen altijd in onze doodgewone Schiller hemdje met korte mouwen , maar ik heb Jan van er Berkeboom nooit anders gezien dan in een heel fatsoenlijk geruit jasje en een paar poeties die altijd afzakten.
Die had hij geleend van een oom van hem die sergeant was en die oom had vergeten hem uit te leggen hoe hij die om moest binden.
Dat was echter ook het enige aan hem wat niet zo netjes was. Hij praatte min of meer lijzig maar toch lag er in alles wat hij zei iets nets, iets mijnheerachtigs.
Als hij op de fiets zat, was zijn rug een halve hoepel en toch zal je zelden iemand zien die zo gezellig was om mee te kamperen.
Ik kwam Jan van der Berkeboom tegen.
Het was alsof het afgesproken was om allebei precies hetzelfde te zeggen in ieder geval.
Jan van der Berkeboom zei mij goedendag en zei dat ik maar door moest lopen tot de fietsenstalling.
Hij liep intussen door, in den hoop zijn ouders op te vissen die geschreven hadden hem eens te komen bezoeken.
Ik kachelde dus verder en kwam levend en wel door de uitgang.
Maar waar was nu die fietsenstalling? Ik controleerde eerst eens of die vijfentwintig gulden nog in dat zakje zaten en keek toen eens rond. Voor mij was een groot plein en rechts van mij stond met grote letters het woord "FIETSENSTALLING".
Ik vermoedde dat ik daar moest zijn en sjouwde mijn pak daar op af. Ik haalde mijn reuutje voor de dag en keek gelijk eens of ik die vijfentwintig gulden nog had.
Na lang zoeken had ik mijn fiets gevonden en wilde er juist mee weg sjouwen, toen de man mij er aan opmerkzaam maakte dat ik hem een dubbeltje moest geven, met de woorden "een dubbeltje meneer".
Ik vond het echt dat hij mij mijnheer noemde en grabbelde in mijn zak naar een los dubbeltje dat mijn Pa mij gegeven had zodat ik niet direct die vijfentwintig gulden zou behoeven te wisselen en keek eens of deze nog in mijn bezit waren.
Na een poosje kwamen ook Arie en Jan van der Berkeboom aan. Arie vroeg of ik geld bij mij had want dat ook zij die man van de fietsenstalling een dubbeltje moesten geven.
En zo overhandigde ik hem mijn vijf en twintig gulden.
Het geld dat hij terug kreeg heeft hij in zijn portemonnaie gedaan en nooit heb ik er een cent weer van in mijn handen gehad, zo zelfs dat later toen ik een . . . . maar daar over later.
Toen moest mijn pak opgebonden worden.
Ik had wel riemen maar die waren alle te kort, gelukkig had Arie een brede gordelriem, een soldatenriem, die wij er met vereende krachten om hebben gesjord.
Het is niet gemakkelijk om met zo een zwaar pak achter op de fiets te rijden zodat ik eerst nog wat slingerde.
Ik merkte dat de rails in Arnhem veel smaller zijn dan in Den Haag, zodat wij niet met z'n drien naast elkaar konden rijden. Mijn broer en Jan van der Berkeboom reden dus voorop en ik kon in mijn eentje met mijn dekens voor twee personen (mijn pa moest immers over een week ook komen) en nog een heleboel andere bagage achteraan komen.
Ik ving zo nu en dan wat op van de gesprekken die de voorhoede met elkaar voerden. Jan van der Berkeboom begon: "Het is droog".
Waarop mijn broer antwoordde: "Ja het is droog".
Nou ze hadden gelijk, het was droog en niet zo'n beetje ook, 't was midden zomer en dus aardig warm zodat ik maar eens naar de voorhoede schreeuwde (fig.03) of ze niet even konden stoppen dat ik mijn jas even uit kon doen.
Dat gebeurde en toen kon ik ook eens even met hem spreken.
Ik vroeg waar mijn vijfentwintig gulden gebleven waren en toen werd mij aan het verstand gebracht dat Arie ze zou bewaren, als ik er wat van nodig had moest ik het maar zeggen.
Nu ik beloofde dat te zullen doen en toen vroeg ik een handje hulp om dat pak eens los te binden opdat ik mijn jas erbij zou kunnen doen, want dat was zo vast gesjord dat mijn zwakke krachten hierin te kort schoten. Daarna ging het weer verder tot we buiten de stad waren.
Hier konden wij naast elkaar rijden.
Ik had al eens van de *Middachterallee gehoord en nu vertelde men mij dat ik die straks zou zien en er doorheen zou mogen rijden.
Nu ik moet werkelijk zeggen dat hij mij meeviel.
Ten eerste bezien uit praktisch oogpunt.
Een breed rijwielpad, zonder stoepje, rijtje boompjes of andere onzin langs de kant en verder een mooie brede rijweg waar langs allerhande autobussen en andere luxe auto's hun weg vonden.
Verder liep de weg een klein beetje hellend van Arnhem af en moest het al heel hard regenen wilden de grote zware bomen doorlekken.
Dit was de weg uit praktisch oogpunt ofschoon hij ook best waard is uit schoonheidsoogpunt te worden bezien.
Aan weerszijde der weg een dubbele rij hoge statige beuken die ondanks de breedte van de weg boven ons hoofd de takken tegen elkaar bogen. Van het grootse dat de gehele laan bestempelde en de zon die door de bladeren heen kleine ronde plekjes licht op de weg tekende.
De wind had die dag de eigenschap niet te waaien en dat alles, die schitterende weg, die heerlijke zomer en de zacht ruisende bomen boven ons hoofd brachten ons helemaal in kampeerstemming .
En van ons drien, ik weet werkelijk niet meer wie stelde voor om eens aan te leggen en een glaasje limonade of zo iets te gebruiken.
We zetten dus de fietsen in de fietsenstalling en zetten ons neer aan een tafeltje dicht onder een grote dikke beuk waarin een drukbelletje was bevestigd waar onder je "Buffet" kon lezen.
Met een gezicht van dat kunnen we doen, drukte ik daar maar eens op ofschoon een onbestemd gevoel mij zei dat dat ding toch niet werkte. "Jongens" zei mijn broer, "we zullen die man nu toch een fooitje geven want anders is het weer net als de vorige keer".
De vorige keer namelijk hadden ze in dezelfde uitspanning wat gebruikt en hadden die man geen fooitje gegeven met als gevolg dat hij aan ieder die luisteren wilde vertelde dat kampeerders de gierigste lui waren die geeneens een dubbeltje konden missen om een arme kelner een gelukkige dag te bezorgen.
Verder zou hij toen er geen plaats in het fietsenrek was voor een nieuw aangekomen meneer een van hun fietsen daar maar uitgenomen hebben. Ze schenen intussen in het "RESTAURANT", zoals met een paar rode letters op een wit front prijkte, op een of andere manier gemerkt te hebben dat wij er waren, misschien hadden zij mij op dat knopje zien drukken.
In ieder geval een kelner stapte naar buiten. Ieder die al wel eens een kelner gezien heeft zou het wel met mij eens zijn dat dat een oernet soort mensen is.
Met een handdoek over de schouder en een nette buiging informeerde hij wat de heren beliefden.
Hier verkocht Jan van der Berkeboom een mop.
Met een gezicht dito als waarmede ik net op dat belletje drukte, commandeerde hij drie water met een rietje.
De nette kelner vertrok echter geen spier van zijn gezicht en vertelde alleen dat ze dat niet deden, waarop Arie vertelde dat die mijnheer zich vergiste en dat hij zeker 3 ranja bedoelde.
Met een even nette buiging keerde de kelner zich om, om in het "restaurant te verdwijnen" (fig.04) en even later met een blad waarop drie glazen ranja stonden terug te keren.
"Kunnen de heren misschien direct afrekenen"? stelde hij voor.
Nu dat konden we wel doen en we gaven die man dus zijn centen met nog een kwart je fooi.
Hij scheen dit de moeite waart te vinden om wat vriendelijker te zijn en maakte dus de opmerking dat hij het mooi weer vond en dat de heren zeker nog niet naar huis verlangden en dat het zeker wel echt was om nu op de hei te kamperen.
Nu, dat deden de heren ook niet (naar huis verlangen meen ik), waarop de kelner zeker vond dat hij zich genoeg uitgesloofd had voor een kwartje en met een idem idem buiging weer in het restaurant verdween. Wij pakten daarna onze rommel bij elkaar en hier bemerkte ik dat Jan van der Berkeboom niet zo link was als hij eruitzag want toen wij een km of drie verder waren, ontdekte hij dat hij zijn veldfles vergeten was.
Hij had die afgelegd om het ijs dat hij in zijn ranja gevonden had erin te doen.
Dat had hij nog net zo verstandig van zichzelf gevonden.
Wij zetten ons dus in het gras aan de kant van de weg neer terwijl hij die ging halen.
Wij hadden dus volop de tijd om te genieten van de heerlijke natuur en te zien dat er weer wolken op kwamen zetten.
Toch scheen de zon nog en kon Arie nog even overtuigend zeggen dat het droog was. Toen wij zo een kwartiertje hadden gezeten, kwam de verloren zoon weer aan zetten.
(fig.05) Hij vertelde ons met een zelfvoldaan gezicht dat zijn water zo lekker koel was.
Toen wees ik eens naar de lucht en zei dat we regen kregen.
Mijn voorspelling is uitgekomen en zonder verder oponthoud zijn wij bij de tent gekomen.
 
 
(Fig 1)
 
(fig.02) blz 017
 
(fig.03) blz. 21
 
(fig.04) blz. 26
 
(figb.05) blz. 28

 

 
 
 
Station Utrecht
rond 1920

 
 
 
1920
Middachter Alee

*
De Middachter Alee werd vaak genoemd als mooiste beukenlaan van Nederland.
 
De beuken werden rond 1767 aangeplant en hadden na ruim 170 jaar (1937) een fenomenale hoogte van ruim 40 meter bereikt.
 
Volgens oude gegevens zouden sommige beuken zelfs 47 m hebben gehaald.
 
*
In de jaren vijftig van de twintigste eeuw is de laan in twee fasen vernieuwd.
 
De nieuw geplante beuken hebben inmiddels een flink formaat bereikt en de kruinen vormen weer een koepel.
 
Pas rond 2100 zullen ze de allure van de oude laan kunnen evenaren.
Door: Hans Rijnbende
 
 

[Thuis pagina]